Mijn eerste liefde was een Pool. Hij was een van de militairen die ons Brabants dorp eind 1944 bevrijdde van de Duitse bezetting. Mierek heette hij en mijn tienjarige hart stond in vuur en vlam. Hij kan niet ouder dan 17, 18 zijn geweest, want hij was kind met de kinderen als wij buiten speelden. Hij leerde ons het Poolse volkslied en tot tien tellen in het Pools. Deze prille liefde viel in een tijd dat de wereld vol was van mooie beloften. De oorlog in het Zuiden van het land was afgelopen, het wachten was op de bevrijding van het hele land. We kregen weer van lieverlee meer te eten, niet alleen kwantitatief, maar ook meer variatie. Sinaasappelen, chocola, en zo nu en dan zelfs vlees. Er brandde weer overal licht ’s avonds en fluisteren hoefde niet meer als er een ‘verkeerd’ iemand in de buurt was. Er werd bijna iedere avond gedanst in cafés en buurthuizen en de jonge meisjes haalden in een roes de schade in van vier jaar vreugdeloosheid.
Daar was ik nog te klein voor. Ik moest op tijd naar bed en daar droomde ik van mijn Mierek. Want hoewel hij voor iedereen even aardig was en niemand voortrok, was hij in mijn dromen alleen van mij. In het voorjaar van 1945 is hij vertrokken met de anderen en leed ik aan mijn eerste gebroken hart.
Ik heb nog altijd een apart plaatsje in mijn hart voor Polen. Zij hebben ons bevrijd en hebben daarbij veel vrienden verloren. Dat zal ik nooit vergeten, evenmin als ik het Poolse volkslied ooit vergeet! 




